‘Moeten we nog ver?’ zuchtte de kleine Lindsey van vijf jaren oud, terwijl ze achter haar ouders aanslofte. Ze was moe en had dorst. Bovendien stonk het hier en telkens als ze haar voet neerzette en optilde, maakten haar schoenen een smerig zuiggeluid.
‘Lieverd, zeur nou niet zo. We moeten nog maar een klein stukje naar het hotel, het is vast niet ver meer. En geniet nou eens van die prachtige natuur!’ antwoordde haar moeder Sandra met een onzekere stem. Ze wist zelf ook niet waar ze waren. Haar man Mark haalde de reisgids voor de zoveelste keer uit zijn rugzak en sloeg hem open. Op de voorkant stond een prachtig hotel met witte muren en schattige rode luikjes. Het zag er aandoenlijk en veilig uit. Mark propte de reisgids weer in zijn rugzak en keek om zich heen, maar in de verste verte zag hij geen teken van bewoning.
‘Maaaaam, ik wil niet meer. Mijn voeten doen zeer. Pap, wil je me dragen?’ vroeg Lindsey met een klein stemmetje. Mark bukte zich om zijn dochter op te tillen en zette haar op zijn schouders.
Na zo’n vijfhonderd meter begon Lindsey te schreeuwen. Links, verscholen achter een met mos bedekte boom, had ze een lichtje gezien! Het danste zo mooi, het leek wel een elfje. Ze trok aan haar vaders haren.
‘Pap, kijk! Een lichtje! Mooi!’ zei ze vrolijk. Mark keek om zich heen en wierp een blik op Sandra. Sandra zocht met haar ogen de omgeving af en zag het ook: een klein lichtje dat een gele gloed wierp op de duistere omgeving.
‘Laten we daar maar heen gaan, misschien is het iemand uit de omgeving. Of het is de voordeur van het hotel!’ zei Sandra opgelucht en ze begon wat sneller te lopen. Het lampje danste dichterbij en Mark kreeg een vervelend gevoel over zich heen. Het voelde alsof iemand hen volgde en bekeek. Hij draaide zich om maar zag enkel bomen, struiken en stenen.
Plotseling klonk er een schreeuw en een vreemde vloog voor Mark en Lindsey langs.. Hij sprong voor Sandra en haalde iets uit zijn broekzak. Een felle lichtflits schoot op het dansende lichtje af, dat doofde. De vreemde draaide zich om. Hij had rommelig haar, versleten kleren en wilde ogen, maar zag er vastberaden uit.
‘Wie bent u? Wat was dat?’ vroeg Mark. Maar het laatste wat hij zich kon herinneren, was een stok die op hem gericht was en de man die in een vreemde taal enkele woorden mompelde..